Gratis geld werkt niet

Een idealist is iemand wiens liefde voor geld onbeantwoord blijft. Dit citaat van de Duitse journalist en schrijver Thaddäus Troll (1914-1980) suggereert dat een idealist wel van geld houdt, maar het niet kan krijgen. Deze interpretatie lijkt op te gaan voor de groeiende groep voorstanders van het onvoorwaardelijke basisinkomen (OBI). Als deze idealisten hun zin krijgen, ontvangt elke burger periodiek een (vast) bedrag van de overheid –bijvoorbeeld duizend euro per maand- zonder dat daar verplichtingen tegenover staan. Dit zou, volgens de pleitbezorgers, resulteren in meer vrijheid, creativiteit, zelfontplooiing, mantelzorg, tijd voor studie, kleinschaligheid, zinvollere arbeid en een herwaardering van huishoudelijk werk. Tegelijkertijd zou onze samenleving opfleuren door minder armoede, stress, ongelijkheid, schaamte en ziekte. En tot slot zou het basisinkomen ook het rondpompen van tientallen miljarden euro’s in toeslagen, aftrekposten en re-integratietrajecten kunnen vervangen. Wat een paradijs.

Het basisinkomen is in. Acht van de tien Finnen zien het zitten. En bijna een kwart van de Zwitsers stemde niet tegen een basisinkomen van maandelijks €2.250 per volwassene plus €560 per kind, ook al is het onbetaalbaar. In ons land zijn grote gemeentes als Utrecht, Groningen, Wageningen, Tilburg en Leeuwarden in het basisinkomen gedoken. Ze willen het uittesten op inwoners die balanceren op de armoedegrens.

Waarom al die experimenten met gratis geld? Dat hebben we al vaak genoeg gedaan. Neem de van 1956 tot 1987 geldende Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR). Op grond hiervan konden kunstenaars, in ruil voor diensten of kunstwerken een inkomen krijgen. Maar de kosten rezen de pan uit, terwijl de overheid overspoeld werd met kunstwerken van bedenkelijke kwaliteit, omdat kunstenaars ze regelmatig vlak voor de deadline in elkaar flansten. Toch kwam er in 1998 een volgend experiment met gratis geld: de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK). Deze gaf kunstenaars maximaal vier jaar inkomenssteun van 70 procent van het bijstandsniveau. Zo kon de artiest een rendabele beroepspraktijk opbouwen, waardoor deze geen bijstand meer nodig had. Het werkte weer niet. Datzelfde gold voor de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK), die de WIK vanaf 2005 verving. Deze regeling legde in 2012 het loodje, want de gewone bijstand pakte voordeliger uit.

Een groots experiment met gratis geld was en is de basisbeurs. Van 1986 tot 2014 kreeg elke student deze toelage, ongeacht de noodzaak. Dat zou (snel) studeren stimuleren. Maar de kosten explodeerden, en studeren deed toch al iedereen. En dit jaar bleek dat een groep MBO’ers geen onderwijs volgde, maar wel de basisbeurs, de aanvullende beurs, de ov-kaart en de maximale studielening binnen harkte. Dat bezorgde de slimmeriken, naast gratis vervoer, een inkomen van €802 per maand.

Voorstanders van een basisinkomen geloven dat genoeg geld creatiever, initiatiefrijker en actiever maakt. Maar niet elk mens is een vlijtige mier. Velen lijken meer op een rivierkrokodil. Dit reptiel kan maandenlang lui wachten op de regentijd. Zodra de rivier weer stroomt, opent hij zijn bek. Dan springt de verse vis er vanzelf en gratis in. Eigenlijk is het geloof in de paradijselijke effecten van het basisinkomen net zoiets als de hoop dat je kunt lijnen zonder honger te lijden of sporten zonder te hoeven bewegen. In specifieke situaties en vormen –bijvoorbeeld een negatieve belastingaanslag bij een laag inkomen- kan het werken. Maar in een consumptiegedreven markteconomie met geldhongerige, calculerende burgers wordt gratis geldverstrekking peperduur. Vervolgens wordt het initiatief -steevast onder veel protest- de nek omgedraaid.

Fins experiment

Komend jaar gaan zo’n 100.000 Finnen meedoen met een experiment van de overheid met de volgende vier soorten basisinkomen.

1.Een relatief hoog basisinkomen, waarbij de meeste oude sociale uitkeringen verdwijnen.

2.Een gedeeltelijk basisinkomen van minstens 550 euro per maand (het huidige bijstandsniveau in Finland). Hiernaast blijft bijvoorbeeld de Finse werkloosheidsverzekering bestaan.

3.Een negatieve inkomstenbelasting. Hierbij krijg je onder een bepaald inkomen geld terug van de belastingdienst, waardoor je inkomen bijvoorbeeld nooit lager wordt dan €1.000 per maand.

4.Een participatie-inkomen waarbij je (een deel van) het basisinkomen krijgt in ruil voor bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.