Een ode aan cash

Een dame uit het Vlaamse Arendonk spijkerde afgelopen december een plastic mapje met een briefje van tien euro aan een boom. “Voor iemand die het beter kan gebruiken dan ik”, schreef ze erbij. Maar tien dagen later hing het geld er nóg. Sterker: er was twintig euro bijgekomen. Dat verbijsterde de gulle gevers. Waarom was het geld niet meegenomen? Of zelfs niet ingepikt door iemand die het niet nodig had? Voor de Amerikaanse gedragseconoom Dan Ariely is deze situatie echter gesneden koek. Zijn onderzoek toont dat de mens veel eerlijker omgaat met contant geld dan met andere zaken van waarde. Dat is slecht nieuws voor de huidige, digitale maatschappij.

Het viel Dan Ariely ooit op hoe hartgrondig we een sierraden- of geldroof veroordelen, maar hoe laconiek we doen als het om een fikse creditcardfraude gaat. Nog minder rinkelt ons gewetensalarm bij een beetje verzekeringsfraude, een iets overdreven declaratie of het meenemen van kantoorspulletjes van de baas. Uit nieuwsgierigheid zette Ariely diverse sixpacks frisdrank in de koelkasten van studenten. Ze waren in no time verdwenen. Het tegenovergestelde gebeurde met evenzovele schoteltjes met zes 1-dollarbiljetten in dezelfde koelkasten. Ze bleven onaangeroerd, net zoals het tientje aan de Belgische boom. Blijkbaar sjoemelen we gemakkelijker met spullen dan met cash. Ariely testte de kracht van deze irrationele impuls op drie vergelijkbare groepen (normale) studenten.

De studenten moesten rekensommen oplossen. Per goed antwoord kregen ze vijftig cent. Van de eerste groep werd het werk gecontroleerd. De tweede groep mocht hun test verscheuren en zelf de score doorgeven. Op basis daarvan kregen ze hun geld. Ook de derde groep liet men de score zelf melden. Maar in plaats van cash kregen ze plastic muntjes, die ze in het naastgelegen klaslokaal konden omwisselen voor dollars.

De testresultaten verbijsterden de onderzoekers. De eerste, gecontroleerde groep had gemiddeld 3,5 vragen juist. De tweede groep bleek te sjoemelen. Gemiddeld hadden deze studenten (naar eigen zeggen) 6,2 vragen goed. Maar de groep die plastic muntjes kreeg, knoeide extreem veel meer. Gemiddeld beweerden deze studenten 9,4 vragen goed te hebben, bijna drie keer zo veel als de controlegroep! Conclusie: Mensen sjoemelen als je ze daartoe de kans geeft. Maar de fraude loopt uit de hand zodra de beloning minder liquide is dan cash.

Ariely vermoedde dat cash eerlijker maakt doordat het elementen heeft van een officieel contract. Eurobiljetten dragen het logo van de EU en de persoonlijke handtekening van ECB-voorzitter Mario Draghi. Dat zet ons geweten aan. Uit een test (zie kader) bleek dat deze hypothese klopte! Mensen handelen eerlijker als je ze, vlak voor een moment van verleiding, confronteert met gewetensvolle zaken.

Dat kan belangrijk zijn nu contant geld rap verdwijnt ten gunste van pinpassen, creditcards, klantenkaarten, digitale kredieten en koopknoppen op websites. Deze elektronische koopkracht verleidt verkopers, marketinglieden en bedrijven gemakkelijk tot (een beetje) oneerlijkheid. Onbezwaard maken ze je armer door je digitaal onzinnige extra’s aan te smeren, ingewikkelde maar dure kleine lettertjes te schrijven of trucs te benutten om geen belasting te hoeven betalen in je land. Iemands gewetenloosheid kan extra stijgen zodra zijn inkomen –zoals vaak- van die slinksheid afhankelijk is.

Hoe houden we de menselijke neiging tot sjoemelen in de hand? Mogelijk door elke digitale betaling iets mee te geven van de gewetensprikkelende eigenschappen van cash. Hoe? Dat lijkt me een essentiële vraag voor financiële toezichthouders, politici en ieder ander die vertrouwen in de economie belangrijk acht. Vandaar deze ode aan cash.

Geweten aanzetten

Hoe hou je de mens eerlijk? Gedragseconoom Dan Ariely vond een antwoord via een test op studenten. Het bleek dat testpersonen veel eerlijker antwoorden op vragen als je hun geweten, vlak voor een moment van verleiding, prikkelt. Dit prikkelen deed Ariely door de studenten, vlak voordat hij hun eerlijkheid testte, zoveel mogelijk te laten noteren van de tien geboden. Of door ze akkoord te laten gaan met ‘de erecode van de universiteit’. Het resultaat was verbluffend: niemand was daarna oneerlijk. Dit in tegenstelling tot een controlegroep studenten die vóór de eerlijkheidstest moesten noteren welke boeken ze recent hadden gelezen.