De ongelijkheidspuzzel

Posted on 2 min leestijd

Meten is weten. Daarom steunt overheidsbeleid op onderzoek. Ons land telt enkele tientallen publieke onderzoeksinstituten. Een van de groten is het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze nationale cijferleverancier meet zo’n beetje alle maatschappelijke fenomenen die zich in getallen laten vangen. Van vacatures, de woningvoorraad, overheidsschuld, CO2-uitstoot, bevolkingsgroei en asielverzoeken tot de levensverwachting, huizenprijzen, inflatie, de kosten van kinderen, het consumentenvertrouwen, koopkracht en nog veel meer. Al die metingen steunen op keuzes, veronderstellingen en definities. Daarom is er weleens kritiek op CBS-cijfers. Want de wereld verandert, en over aannames valt te twisten.

Neem de verdeling van de welvaart in ons land. Twee belangrijke CBS-maatstaven hiervoor zijn de inkomens- en de vermogensongelijkheid. Het CBS drukt ze uit in de Gini-coëfficiënt, een getal tussen 0 en 1. Bij nul heeft iedereen hetzelfde inkomen of vermogen, en bij 1 heeft één persoon alle inkomen of vermogen en de rest niks. In ons land is de Gini-coëfficiënt van de besteedbare inkomens slechts 0,29, blijkt uit het CBS-rapport ‘Welvaart in Nederland 2019’. Daardoor staat Nederland bekend om zijn lage inkomensongelijkheid. Maar qua vermogensongelijkheid scoren we, met een Gini-coëfficiënt van 0,79, Europees vergeleken juist torenhoog. Beide coëfficiënten zijn al jaren min of meer stabiel. Niks aan de hand dus?

Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn gelijker dan anderen. Uit het boek ‘Animal Farm’ van George Orwell (1903-1950), Brits schrijver en journalist.

Absoluut niet, betoogt economisch onderzoeker Alman Metten, oud-lid van het Europees Parlement voor de PvdA in economenblad ESB. Volgens hem vegen de statistische keuzes van het CBS de helft van de inkomensongelijkheid onder het tapijt. Ten eerste ziet het CBS de waardestijging van bezit – bijvoorbeeld aandelen of onroerend goed – niet als inkomen. Als de AEX-index dus stijgt met 28,5%, dan geldt alleen de 4,6% dividend als inkomen. Ten tweede trekt het CBS betaalde rente van de inkomens af. Als een rentenier dus geld leent om rijker te worden, daalt zijn inkomen verder.

Metten heeft onze welvaartsverdeling herrekend met het zogeheten ‘inclusieve inkomen’. Dat is besteedbaar inkomen zonder de aftrek van rente en met de waardestijging van bezit. Daaruit blijkt dat de rijkste 6% van de huishoudens twaalf keer zoveel te besteden heeft als de armste 32%. Volgens CBS-cijfers is dit maar zes keer zoveel.

Het inclusieve inkomen werpt ook nieuw licht op de belastingdruk op arm, middenklasse en rijk. Van het inclusieve bruto-inkomen van de armsten gaat 40,4% op aan (in)directe belastingen, premies plus lokale heffingen. Voor de middenklasse is die bijdrage 41%. Maar de rijksten zijn spekkoper: zij dragen maar 31,8% bij. Dus volgens Metten betalen de middenklasse en de armsten de zwaarste lasten. En volgens het CBS lappen juist de rijksten procentueel het meest. Meten is blijkbaar niet weten. Meten is kiezen. Meten is politiek.